Ontkenning
Ontkenning. Dat is vaak de eerste reactie op het verschrikkelijke nieuws dat er iemand is overleden. Ik weet het van papa, natuurlijk. Dat we bleven volhouden dat hij door mensen was opgevangen. Hij zat ergens in schone kleren, warm gedoucht, bij te komen van de schrik. We wilden dat geloven, we moesten ons eraan vastklampen. Terwijl we echt wel hoorden dat hij was verongelukt en nog niet gevonden.
Dit is ontkenning als reactie op een shock.
Er is ook een vorm van ontkenning die anders werkt. Je woont niet samen met de persoon die is overleden. Je sust jezelf, onbewust, dat hij nog gewoon ergens is. Naar zijn werk gaat, in de tuin zit, op reis is.
Dat ervoer de vrouw met wie ik deze week wandelde.
Haar dierbare overleden vriendin woonde niet in de buurt. Ze stelde zich voor, dat zij gewoon ook haar leven leidde. Dat ze er zo even langs kon gaan. Ze wist wel dat ze niet meer leefde, maar toch voelde het net zo. Minder definitief.
Ze was in twee jaar tijd überhaupt weinig aan rouwen toegekomen.
Ook dat zie ik vaker. Het overlijden zelf is verwarrend of abrupt. Er speelt van alles omheen. Er moeten dingen geregeld worden. En voor je het weet, ga je weer door. Omdat het moet. Omdat het leven doorgaat. Het lijkt wel of er geen plaats is voor de rouw. Voor het toelaten van het verdriet.
Dat gaat wringen.
Want hun dierbare overledene verdient rouw. De liefde en de band die er was, en nog altijd is, verdient erkenning. Mensen voelen zich schuldig dat ze het verdriet nog niet hebben doorleefd. Ze zijn het aan de overledene verschuldigd.
